Werkwoorden

 
 
Spelling werkwoorden:
 
Het spellen van werkwoorden is één van de moeilijkste dingen die je moet doen op de basisschool. Om jullie een klein beetje te helpen staan hieronder een paar tips.
 
Oefeningen staan op www.jufmelis.nl
 
Een werkwoord is iets wat je kunt doen, zoals; lopen, horen, zwemmen dansen en klimmen.
 
Een werkwoord kan op verschillende manieren in een zin worden gebruikt.
 
1.                De persoonsvorm
 
Karel loopt naar school.
 
De persoonsvorm kan op drie manieren worden gevonden:
 
a)   Een vraagzin maken.                          Loopt Karel naar school?
     
De persoonsvorm staat nu vooraan in de zin. Dit geldt niet voor zinnen met vraagwoorden, zoals wat, waarom, welke en hoe?
 
b)  De tijd veranderen.                            Karel liep (gisteren) naar school.
 
c)   Meervoud of enkelvoud maken.        Wij lopen naar school.
 
 
2.                Het deelwoord
 
Het deelwoord staat (bijna) altijd in een zin waarin hebben of zijn de persoonsvorm is.
 
De meester heeft de rekentaak uitgelegd.
 
De bloemen zijn in een vaas gezet.
 
 
3.                Het hele werkwoord
 
Hierbij wordt de wij-vorm (infinitief) opgeschreven.
 
Wij gaan een pizza met ananas maken.
 
Hij lijkt de overkant te halen.
 
 
4.                Het tegenwoordig deelwoord
 
Hierbij gebeuren er twee dingen tegelijkertijd in de zin. Het tegenwoordig deelwoord wordt altijd met een –d geschreven.
 
Luisterend naar zijn walkman loopt hij door de straat.
 
Fluitend staarde hij voor zich uit.
 
 
5.                Werkwoordelijk bijvoegelijk naamwoord
 
Hierbij wordt het werkwoord gebruikt om het zelfstandig naamwoord te verduidelijken.
 
In de wagen ligt een huilende baby.
 
De klas zit vol met schreeuwende kinderen.
 
 
Nou is het natuurlijk ook wel handig als je weet hoe je de persoonsvorm of het deelwoord moet schrijven. Als je het volgende stappenplan volgt, weet ik zeker dat je het altijd goed doet!
 

 
Maar wanneer schrijf je nou iets met -de(n) en wanneer met -te(n)?
 
Hiervoor gebruiken we     'T KOFSCHIP (alleen de medeklinkers t-k-f-s-ch-p-x)
Staat de laatste letter van de stam (de ik-vorm) in het kofschip, dan schrijf je de verleden tijd met -te(n).
Staat deze laatste letter niet in het kofschip schrijven we de verleden tijd met -de(n).
 
Jan raakte de bal met zijn hoofd.        pv= raakte        stam= raak    De -k staat wel in het kofschip.
Peter hoorde de harde muziek.          pv= hoorde       stam= hoor    De -r staat niet in het kofschip.
 
Werkwoorden met een f/v en s/z zijn uitzonderingen. Hierbij gebruiken we de v en z voor de regel.
 
Tim verfde de muur rood                   pv= verfde        stam=verv      De -v staat niet in het kofschip.
 
 
Een handig schema om werkwoorden in te oefenen is het volgende:
 
 
 
Meester Mark
 
 
 
 
Inloggen

14-03-2012 Project werkbezoek
14-03-2012 O&O&O- markt



Deze school maakt deel uit van:
De Federatie Utrechtse Heuvelrug
logo