Woordbepaling

 
 
Het benoemen van woorden
 
Bij het benoemen van woorden, moet je elk los woordje een naam geven.
Je kan hierbij kiezen uit de volgende namen:
 
Werkwoord = Iets wat je kunt doen (klimmen, roken, branden)
Lidwoord = De, het, een
Bijvoegelijk naamwoord = Vertelt iets over een mens, dier of ding (de gele trui, de vervelende jongen)
Zelfstandig naamwoord = Mens, dier of ding (raam, machine, poes, medewerker)
Voorzetsel = Op, onder, in, tussen, achter (denk aan een doos)
Persoonlijk voornaamwoord = Ik, hij, wij, jullie, zij (geeft personen aan)
Bezittelijk voornaamwoord = Mijn, haar, jouw, ons (geeft aan van wie het is)
Aanwijzend voornaamwoord = Die, dat, deze, dit (daar wijs je iets mee aan; deze deur)
Voegwoord = Omdat, totdat, als, of, en (plakt twee zinnen aan elkaar)
 

 
 
Even een zin als voorbeeld: De verwende jongen zeurde om zijn nieuwe computer
 
De =                 Lidwoord
Verwende =       Bijvoegelijk naamwoord
Jongen =           Zelfstandig naamwoord
Zeurde =           Werkwoord
Om =                Voorzetsel
Zijn =               Bezittelijk voornaamwoord
Nieuwe =           Bijvoegelijk naamwoord
Computer =        Zelfstandig naamwoord
 
Als je dit goed wilt kunnen moet je ontzettend veel oefenen. Dit kun je doen op: www.jufmelis.nl. Kies dan voor woordsoorten.
 
Succes!
 
Meester Mark
 
 
 
Inloggen

14-03-2012 Project werkbezoek
14-03-2012 O&O&O- markt



Deze school maakt deel uit van:
De Federatie Utrechtse Heuvelrug
logo